Nieuw onderzoek: wat is de invloed van placenta-afwijkingen op een kind?

 In Nieuwe publicatie

Afwijkingen aan de moederkoek (placenta) kunnen samenhangen met lagere schoolprestaties op 12-jarige leeftijd en spelen een rol bij baby’s die te klein worden geboren. Dat blijkt uit twee nieuwe omvangrijke publicaties van Carmen Oudejans namens onze onderzoeksgroep in het wetenschappelijke tijdschrift Placenta (juni 2026). In dit nieuwsbericht vatten we de belangrijkste resultaten van deze onderzoeken samen.

Moederkoekafwijkingen en schooluitkomsten bij 12-jarigen

Het eerste onderzoek toont aan dat afwijkingen in de moederkoek kunnen samenhangen met lagere schoolprestaties bij kinderen rond de 12 jaar (groep 8). Een specialist (patholoog) onderzoekt de moederkoek na de geboorte meestal alleen als daar een medische reden voor is. Voor dit onderzoek zijn de gegevens van 36.197 kinderen in Nederland geanalyseerd. Hiervoor werden drie grote databronnen gecombineerd:

  • PALGA: voor het weefselonderzoek van de placenta.
  • Perined: voor de gegevens over de zwangerschap en geboorte.
  • Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS): voor de schoolgegevens.

Minder vaak een hoog schooladvies

De resultaten laten zien dat kinderen bij wie destijds één of meer afwijkingen in de moederkoek zijn gevonden, iets minder vaak een hoog schooladvies kregen. Dit was 49,9% tegenover 52,4% bij kinderen zonder afwijkingen. Uit de data blijkt dat een specifieke afwijking, genaamd maternale vasculaire malperfusie (MVM), samenhangt met lagere schooladviezen en lagere scores op de eindtoets van de basisschool. Bij MVM verloopt de doorbloeding van de moederkoek minder efficiënt, waardoor de baby in de baarmoeder minder zuurstof krijgt. Als een baby langere tijd minder zuurstof krijgt, kan dit invloed hebben op de hersenontwikkeling. Dit kan zich op latere leeftijd uiten in de schoolprestaties.

Moederkoekafwijkingen bij te klein geboren kinderen (SGA)

In het tweede onderzoek is gekeken naar afwijkingen in de moederkoek bij baby’s die te klein zijn geboren voor hun zwangerschapsduur. Dit wordt ook wel Small for Gestational Age (SGA) genoemd, waarbij het geboortegewicht onder het 10e percentiel ligt. In totaal zijn 51.028 zwangerschappen onderzocht, onderverdeeld in drie groepen:

  1. Matig klein: geboortegewicht tussen het 3e en 10e percentiel.
  2. Ernstig klein: geboortegewicht onder het 3e percentiel.
  3. Stilgeboorte: zwangerschappen die eindigden in een stilgeboorte waarbij de baby te klein was (onder het 10e percentiel).

Complexe relatie in de klinische praktijk

Uit het onderzoek blijkt dat de placenta-afwijking MVM in alle drie de groepen het vaakst voorkwam. Dit werd nog vaker gezien bij ernstig kleine baby’s en bij zwangerschappen met hoge bloeddrukproblemen bij de moeder. Afwijkingen in de bloedvaten van de baby zelf (foetale vasculaire malperfusie) en combinaties van verschillende afwijkingen kwamen vaker voor bij de groep met stilgeboortes. Opvallend is dat de verschillen tussen matig kleine, ernstig kleine en overleden baby’s relatief klein waren. Dit laat zien dat de relatie tussen placenta-afwijkingen en de ontwikkeling van de baby tijdens de zwangerschap ingewikkeld is en niet altijd direct zichtbaar is in de klinische praktijk.

Geïnteresseerd in de volledige wetenschappelijke artikelen?

  • Artikel 1 (Schoolprestaties): Placental maternal vascular malperfusion pathology is associated with decreased school performance at age 12
  • Artikel 2 (Klein geboren kinderen): Underlying placental lesions in small for gestational age (SGA) subgroups: mild SGA, severe SGA, and stillbirth SGA: a cross-sectional data linkage study
Recent Posts
Lancet OG&WH